Verklaringen voor tegenvallend studiesucces

Er is duidelijk iets aan de hand wanneer we kijken naar het studiesucces van jongens in het hoger onderwijs. Hoewel er natuurlijk veel jongens zijn die prima functioneren valt op dat de instroom van jongens in het hoger onderwijs achterblijft bij de instroom van meisjes; dat jongens langer doen over hun opleiding dan meisjes en dat jongens vaker uitvallen en vaker afstromen naar lagere vormen van onderwijs. Een belangrijke vraag is: Hoe komt het dat de studieresultaten van jongens in het (hoger) onderwijs achterblijven in vergelijking met de studieresultaten van meisjes?

Op basis van een overzichtsstudie stellen Heemskerk, Van Eck, Kuiper en Volman (2012) vast dat sekseverschillen in schoolloopbanen in het algemeen worden toegeschreven aan drie typen factoren:

  1. Sociaal- en cultureel-maatschappelijke factoren;
  2. Veranderingen in het onderwijs;
  3. Biologische factoren.
  1. Sociaal- en cultureel-maatschappelijke factoren

Als verklaring voor verschillen in studiesucces tussen jongens en meisjes wordt er vanuit het sociaal- en cultureel- maatschappelijk perspectief gewezen op de veranderde en veranderende arbeidsmarkt en dus op de vragen die op jongeren af komen. De zware fysieke arbeid van vroeger maakt plaats voor  een scala aan beroepen waarin samenwerking, verantwoordelijkheid, afstemming, planning, communicatie en taal belangrijker worden. Deze vermogens blijken in het algemeen beter aan te sluiten bij de specifieke vaardigheden van meisjes en minder goed bij de specifieke vaardigheden en kwaliteiten van jongens. Echter: niet alleen de arbeidsmarkt verandert. Ook de leefsituatie van jongeren verandert. In die leefsituaties spelen baantjes en uitgaan een belangrijke rol maar ook het medialandschap. Het is niet ondenkbaar dat deze veranderingen in de leefsituatie van jongeren andere effecten hebben op jongens dan op meisjes. Een invalshoek die ook past binnen dit perspectief is de aandacht voor de invloeden van sekse-specifieke socialisatieprocessen. Verschillende experts, waaronder Tavecchio (2013), geven aan dat de enorme oververtegenwoordiging van vrouwen in opvoeding en onderwijs, en dus de ondervertegenwoordiging van mannen, leidt tot een situatie dat er voor jongens (te) weinig mogelijkheid is voor nabije sekse rol identificatie. Sekse rol identificatie is nodig om grip te krijgen op de betekenis van ‘man’ of ‘vrouw’ zijn in de cultuur waarin je opgroeit. Onvoldoende grip op die betekenis kan leiden tot rolverwarring en rolonduidelijkheid.

  1. Veranderingen in het onderwijs

Een tweede perspectief sluit direct aan bij het thema dat hiervoor al kort ter sprake is geweest: de oververtegenwoordiging van vrouwen in opvoeding en onderwijs. In een andere bijdrage op dit weblog wordt zichtbaar dat er relatief weinig mannen voor de klas staan. Dit aantal neemt steeds verder af. Dit fenomeen wordt ook wel ‘feminisering van het onderwijs’ genoemd.

Woltring (2012) stelt dat de feminisering van onderwijs vanuit verschillende invalshoeken een probleem kan zijn. Hij beroept zich daarbij op het gegeven dat mannen veelal andere leerkrachtstijlen hanteren dan vrouwen. De ‘andere’ benadering van mannelijke leerkrachten komt onder meer tot uitdrukking in communicatie, risicoacceptatie en humor. Mannen communiceren vaak wat directer dan vrouwen en zetten in het algemeen ook wat meer humor in. Volgens Woltring sluiten de vormen van communicatie die mannen hanteren beter aan bij jongens dan de communicatiestijl die veel vrouwen hanteren. Daarnaast stelt hij dat vrouwen specifieke ‘jongensdingen’ of ‘jongensgedrag’ minder goed begrijpen dan mannen. Vrouwen geven, vaker dan mannen, aan ‘last’ te hebben van jongens. Gevolg daarvan is dat vrouwen, meer dan mannen, corrigerend, beperkend en controlerend zijn naar ‘typisch’ jongensgedrag. Mannen geven letterlijk en figuurlijk meer ‘ruimte’. Geerdink en De Beer (2013) weerspreken de uitlatingen van Woltring. Zij houden er rekening mee dat de ‘vrouwelijke cultuur’ in onderwijs niet zozeer een gevolg is van de aanwezigheid van veel vrouwen in het onderwijs maar een gevolg van veranderingen in de samenleving. Zij bestrijden het idee dat het mannelijke rolmodel automatisch zou leiden tot meer leren, meer inzet en meer welzijn van jongens. Hier is volgens hun, vanuit wetenschappelijk onderzoek, geen enkel bewijs voor.

Los van ‘feminisering’ van onderwijs worden ook de zogenoemde ‘taligheid’ van onderwijs en de verminderde aandacht voor de grove motoriek in het basisonderwijs als verklaring genoemd voor tegenvallende schoolprestaties van jongens. Jolles (2012) stelt dat de tendens van een sterkere gerichtheid op talig onderwijs ten koste gaat van een meer visueel ruimtelijke benadering. Dit is nadelig voor jongens omdat blijkt dat jongens zich juist goed thuis voelen bij visueel ruimtelijk en abstraherend denken. Eenzelfde redenering geldt wat hem betreft voor de verminderde aandacht voor de grove motoriek in het basisonderwijs. Minder aandacht voor de grove motoriek leidt, volgens hem, tot problemen voor jongens omdat jongens, meer dan meisjes, hun zelfbeeld fysiek funderen.

Tot slot geldt dat er ook sprake is veranderingen/ vernieuwingen in het onderwijs zelf. In dat onderwijs is in de afgelopen jaren meer en meer nadruk komen te liggen op het zelfstandig en zelfregulerend leren. Het ‘nieuwe’ onderwijs vraagt om reflectie- en planningsvaardigheden die jongens in het algemeen later ontwikkelen dan meisjes (Jolles, 2012).
De vernieuwingen in het onderwijs zijn hand in hand gegaan met nieuwe omgangsvormen op school/in de klas. De maatschappelijke tendens van voortgaande informalisering (Schnabel, 2013) treedt ook op in het onderwijs: omgangsvormen zijn veel informeler dan vroeger. Het is niet ondenkbaar dat andere didactische aanpakken, andere onderwijsinhouden en ook andere omgangsvormen verschillende effecten hebben op jongens en meisjes.

  1. Het biologisch perspectief

Vanuit het biologische perspectief, wordt gewezen op aangeboren, genetisch bepaalde verschillen tussen jongens en meisjes. Onderdeel daarvan is het sterk opgekomen en opkomende neurowetenschappelijk onderzoek naar het brein en breinontwikkeling. Belangrijk gegeven vanuit dit type onderzoek is dat de ontwikkeling van de vrouwelijke hersenen in bepaalde opzichten verschilt van de ontwikkeling van mannelijke hersenen (Mieras,2007). Omdat het biologisch perspectief een thema is van onderzoek dat is opgezet binnen de FHKE, volgt in deze bijdrage geen verdere uitwerking van dit thema. Elders in dit weblog is die informatie volop aanwezig.

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmailby feather